De geschiedenis van de lobotomie: Van ijspriem tot nobelprijs
02 juni 2026 
5 min. leestijd

De geschiedenis van de lobotomie: Van ijspriem tot nobelprijs

Als we tegenwoordig niet lekker in ons vel zitten, boeken we een sessie bij een psycholoog, praten we met een coach of bespreken we onze mentale struggles openlijk met vrienden. De schaamte rondom mentale gezondheid verdwijnt gelukkig in rap tempo. Maar als we de klok honderd jaar terugdraaien naar het jaar 1926, komen we in een totaal andere wereld terecht. Een wereld waarin psychiatrische diagnoses als 'idioot' of 'debiel' officiële medische stempels waren, en waarin de behandeling van psychische klachten vaker neerkwam op sociale uitsluiting dan op genezing. Het is de vruchtbare bodem waarop een van de meest controversiële ingrepen uit de medische geschiedenis kon ontstaan: de lobotomie.

De bizarre werkelijkheid van het krankzinnigengesticht

Honderd jaar geleden waren de opties beperkt als het menselijk brein anders werkte dan de norm. Wie een zware depressie had, kampte met onverwerkte trauma's uit de Eerste Wereldoorlog, of simpelweg niet binnen het maatschappelijke plaatje paste, raakte al snel gemarginaliseerd. Hedendaagse begrippen als autisme of ADHD waren nog volledig onbekend.

Als iemand psychische problemen had, waren er grofweg drie scenario's. In het beste geval kon men nog redelijk functioneren en werd men door de omgeving versleten voor 'raar', 'excentriek' of 'moeilijk'.

In het tweede scenario hield de familie de situatie angstvallig binnenshuis. Mensen werden opgesloten in een kamer en voor de buitenwereld doodgezwegen, terwijl ze hooguit achter de schermen meewerkten op het erf van een familiale boerderij.

Het derde en meest ingrijpende scenario was de opname in een krankzinnigengesticht. In die tijd waren deze instellingen zelden bedoeld om patiënten te genezen, maar juist om ze te bewaren en te isoleren, zodat de maatschappij en de familie geen overlast ervoeren. Niet alleen mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen kwamen hier terecht, maar ook alcoholisten, dove mensen, verarmde burgers en zelfs vrouwen die weigerden hun echtgenoot te gehoorzamen (Yep, echt een bizarre tijd).

De gemene deler was vaak een gebrek aan macht. Om de rust in deze overvolle gestichten te bewaren, grepen artsen naar drastische methoden zoals het toedienen van insulinacoma's of hydrotherapie, waarbij onrustige patiënten urenlang werden vastgebonden in ijskoude baden. De medische wereld snakte naar een snelle, structurele oplossing.


De geboorte van de leukotomie: Snijden in de witte stof

In 1935 dacht de Portugese neuroloog Antonio Egas Moniz een biologische sleutel te hebben gevonden. De wetenschap veronderstelde destijds dat complexe psychische aandoeningen werden veroorzaakt door abnormale verbindingen in de frontale kwab, het voorste deel van ons brein. Moniz redeneerde dat het verbreken van deze verbindingen de patiënt rust zou brengen. Zijn eerste experimenten waren even bizar als destructief: hij boorde gaten in de schedel van patiënten en injecteerde pure alcohol rechtstreeks in het hersenweefsel.

Toen de resultaten hiervan tegenvielen, ontwikkelde hij een nieuwe chirurgische techniek: de leukotomie. Om te begrijpen wat hier precies gebeurde, helpt een eenvoudige anatomische vergelijking. Onze hersenen bestaan uit grijze en witte materie. Stel je een neuron voor als een hand met uitgespreide vingers en een lange arm. De handpalm en de vingers vormen het cellichaam en de dendrieten, die samen de grijze massa aan de buitenkant van de hersenschors vormen. De arm stelt de uitloper voor, het axon. Deze uitlopers vormen de witte massa aan de binnenkant van het brein en fungeren als de communicatiekabels tussen verschillende hersengebieden.

Bij een leukotomie liet Moniz de alcohol achterwege. In plaats daarvan bracht hij via boorgaten een dunne, holle naald met een uitschuifbaar ijzerdraadje in het brein. Door het draadje uit te schuiven en te draaien, sneed hij de witte massa in de frontale kwab door. De ingreep had effect: angstige, hyperactieve of diepbedroefde patiënten werden plotseling opvallend kalm. Hoewel critici zich afvroegen of deze mensen daadwerkelijk genezen waren of simpelweg kampten met massale hersenschade, was de medische wereld lyrisch. In 1949 ontving Moniz zelfs de Nobelprijs voor de Geneeskunde voor zijn werk.


Walter Freeman en de opkomst van de ijspriem-lobotomie

Terwijl de procedure in Europa voornamelijk werd bewaard voor de meest uitzichtloze casussen, zag de Amerikaanse neuroloog en psychiater Walter Jackson Freeman II een enorme kans om de methode te populariseren. Freeman was echter geen chirurg. Hij had geen toegang tot steriele operatiekamers, geavanceerde boorapparatuur of neurochirurgen. Hij vroeg zich af hoe hij de kortste weg naar het brein kon vinden zonder te hoeven boren.

Zijn antwoord vond hij in de keukenla. Freeman bedacht een techniek om via de oogkas het brein te bereiken. Tijdens zijn eerste procedures gebruikte hij letterlijk een ijspriem, een scherp stuk gereedschap dat destijds werd gebruikt om grote blokken ijs te verbrijzelen. Hij plaatste de punt van de ijspriem net boven de oogbol in de oogkas, tikte met een hamertje door het flinterdunne bot van de schedelbasis en bewoog het instrument heen en weer om het hersenweefsel in de frontale kwab door te snijden. Dit werd bekend als de transorbitale lobotomie.

Waar de Europese leukotomie nog probeerde enigszins nauwkeurig te werk te gaan, was de lobotomie van Freeman een kwestie van brute kracht en snelheid. Later verving hij de ijspriem door een speciaal ontworpen stalen instrument met lengtestreepjes, de orbitoclast. Als verdoving diende vaak een reeks heftige elektroshocks, krachtig genoeg om patiënten buiten bewustzijn te brengen, waarbij de spierspanning soms zo intens was dat patiënten hun tanden of botten braken.


Een freakshow met fatale gevolgen

Walter Freeman veranderde een delicate medische ingreep in een ware circusact. Hij ontpopte zich tot een showman die in een speciaal busje, door critici later de 'lobotomobiel' genoemd, heel Noord-Amerika doorreisde. Hij bezocht het ene na het andere ziekenhuis om lobotomiemarathons te houden. Aan de lopende band voerde hij de operatie uit, met een persoonlijk record van maar liefst 25 lobotomieën op één dag. Soms bracht hij zelfs in beide ogen tegelijk een pin in om het publiek van artsen en journalisten te imponeren. Hij liet foto's maken, deelde gesigneerde kiekjes uit en claimde dat hij mensen in tien minuten kon genezen van elke mentale aandoening.

Het bleef niet beperkt tot zware psychiatrische patiënten. Ook rebelse pubers, kinderen met gedragsproblemen, en mensen met een destijds "onacceptabele" seksuele geaardheid kregen de orbitoclast in hun schedel getikt. Tegen de jaren zeventig waren er in Amerika alleen al meer dan vijftigduizend lobotomieën uitgevoerd. Ook in Europa vond de ingreep ingang, al werd deze daar over het algemeen strikter voorbehouden aan extreme, uitbehandelde situaties.

Het succes bleek echter gebouwd op drijfzand. In 1951 ging het tijdens een demonstratie in Iowa gruwelijk mis toen Freeman poseerde voor een foto en de pin per ongeluk te diep in het brein van de patiënt duwde. De patiënt overleed ter plekke. Het was een van de drie sterfgevallen die dag. Freeman bleef desondanks overtuigd van zijn eigen gelijk en ging door tot 1967, toen hij na het overlijden van een patiënt tijdens haar derde lobotomie een definitief operatieverbod kreeg.


De verschuiving naar de moderne psychiatrie

De neergang van de lobotomie werd ingezet in het begin van de jaren vijftig, niet alleen door de toenemende kritiek op de verminkende resultaten, maar vooral door een medische revolutie: de komst van de eerste effectieve medicijnen tegen psychische klachten in 1952. De introductie van de psychofarmacologie bood plotseling een chemisch alternatief dat geen fysieke ingreep of blijvende hersenbeschadiging vereiste. Pas in de jaren tachtig werd humane gesprekstherapie uiteindelijk de norm die we vandaag de dag kennen.

Het huiveringwekkende epos van de lobotomie laat zien hoe een combinatie van wanhoop, een gebrek aan diepgaande kennis over de hersenen en een groot ego kan leiden tot medische excessen die destijds met de beste bedoelingen en prestigieuze prijzen werden overladen.

Het dwingt ons tot een fascinerende en ietwat ongemakkelijke bespiegeling: hoe kijken wetenschappers over vijftig of honderd jaar terug op onze huidige behandelmethoden in de geestelijke gezondheidszorg? Zullen onze hedendaagse therapieën en medicijnen dan net zo vreemd  overkomen als de ijspriem van Walter Freeman ons nu toeschijnt? De geschiedenis leert ons dat de wetenschap nooit stilstaat, en dat onze zoektocht naar de werking van de menselijke geest altijd gepaard gaat met vallen en opstaan.

Over de schrijver
Reactie plaatsen